Binnenland

Mocht het u niet meteen zijn opgevallen: Tom Boonen, de Vlaming, reed op zondag zijn allerlaatste koers, een klassieker die naar hem rook: Paris-Roubaix. Vroeger spraken de Vlamingen van Robeke, jawel, de Vlaamse vertaling van Roubaix.

Over Boonen heb ik prachtige afscheids-verhalen gelezen. Over zijn on-Vlaams zijn, want zei ook een echte Vlaming, Rick Vanwalleghem, niet in de Volkskrant: "Flandriens zijn zwijgzame boerenpummels die louter met hun pedalen kunnen spreken, maar Tom is anders.”

Dat laatste is o zo waar.

Ja, hij was “de aaibare Flandrien”. Aaibaar voor bijna iedereen.

Met min of meer engelengeduld stond hij anderhalf decennium handtekeningen uit te delen, trok hij een vermoeide glimlach op zijn gelaat voor weer een “selfie”, wachtte hij met soms ingehouden haast en een snufje verveling, op onhandige vaders die liefst al hun familieleden samen met Tommeke op de foto wilden hebben, maar gewoon te nerveus waren om simpele handelingen goed te verrichten.

Ik maakte hem zelf in bijna uitgeputte vorm mee; leeg, kapot, stinkend naar urine, zweet en de diepe geur van de nederlaag. Hij keek dan scheel uit zijn ogen, bibberde over de armen en kon nauwelijks nog op zijn benen staan. Dan meldde zich iemand van de Japanse televisie en die wilde nog graag wat dringende vragen stellen…

Wat Tommeke dan deed?

Hij trok een lach over zijn gezicht en beantwoordde zo goed en kwaad als het ging de mensen tegenover hem die buigend afscheid van hem namen. Alsof ze zojuist met Onze Lieve Heer gesproken hadden.

Dan fietste hij traag naar zijn bus en zei:” We zien elkaar, prettige avond.”

Hij is 36 jaar oud en heeft zeker het volk der Vlamingen de achter ons liggen 15 jaar plezier bezorgd. Hij won, vaak en overtuigend en races die ertoe deden. Hij won museumstukken, klassiekers zoals dat in het vak heet, koersen die normale mensen te veel is.

Of zoals Vlamingen zeggen: ”Koersen die niet voor Jeanetten zijn.”

En Tommeke was zeker geen Jeanet.

Niet in de verste verte.

Hij was en is een man uit de Kempenstreek, een grote, goed gebouwde atleet met oersterke stampers onder de kont. Hij kon afzien en stoempen, hij kon niet klimmen en aan lange tijdritten had hij geweldig de pest. Hij wilde ze wel goed rijden, maar ergens ontbrak hem de durf om, zoals hij zei “tegen dat stomme alleen rijden” op te treden en daar ook alles voor aan de kant te zetten.

Liever een keien-klassieker in de regen dan een tijdrit van 59 kilometer door het puffend hete Franse land.

Op mijn vraag, ooit, waarom dat was, haalde hij zijn schouders op: Hij had er de goesting niet voor. Alleen rijden was pas plezant in de laatste kilometers van de Ronde van Vlaanderen of Paris-Roubaix; als je de anderen “erop had gelegd”.

“Soms weet ik niet waaraan ik wil denken… bij zulke tijdritten dus. Dan blijft alles leeg bij me. Dan is fietsen geen pretje.”

En ja, Tommeke in de rol van Tijl Uilenspiegel werd ook aanbeden door onze Vlaams sprekende zuiderburen. Ik herinner me dat hij een auto van een paar ton in de prak reed. Met een behoorlijke slok in zijn lijf en ja, de avond was gezellig geweest en ach… dat kon toch gebeuren. Dan kocht je gewoon een nieuwe.

Welke sportheld, in welke cultuur, kon tot drie maal toe 'gepakt' worden met sporen van het gevaarlijke witte poeder? Natuurlijk, het was een partydrug en je ging er geen meter harder door rijden, maar niemand in België nam het dat de renner kwalijk. Mocht hij ook nog eens wat plezier in zijn leven hebben?

En och, dat hij, uitgebreid vermeld op de sportpagina’s van alle kranten in België, de liefde bedreef met een Nederlands meisje op een strand in Curaçao, en dat, naar alle waarschijnlijkheid, zijn vrouw dat toch niet echt leuk zou vinden, leverde ook breed Vlaams schouderophalen op.

Na een lang en zwaar seizoen was het toch gepermitteerd de riem wat losser te hebben en wat maakte het nou allemaal uit? Iedere man had toch van die zwakke momenten, het vlees was gretig en dan deed iedereen wel eens stom en Tommeke was toch een gewoon mens en dus… waar maakte men zich druk over?

De manier waarop in het Vlaamse, op de openingspagina’s van de sportkaterns werd geschreven, was o zo kenmerkend voor alles dat Boonen uitstraalde en van wat hij was.

Hij stond boven de wet, dat sowieso. Moraliteit? Dat had zo zijn beperkingen, maar allez, het was slechts de poepslag van het moment geweest en de Madame was toch een schoontje…. Moesten we hem daarover kapittelen? Neen toch zeker…

Er zijn twee momenten waaraan ik terugdenk en een “gevoel” heb bij de mens Boonen.

Ooit, in de Tour de France, een koers die hij niet echt hoog had zitten, bezochten we zijn rennershotel op de rustdag. Het was er slordig Frans, viezig, stoffig en warm. Ineens zei Tom tegen me: ”Ik zal een rondleiding geven,” en zulks geschiedde. Hij ging, microfoon in de hand,  voor in de kleine, stinkende kamers waar nauwelijks ventilatie was. Hij toonde ons de eetzaal, waar het een kleine chaos was, hij liet een typisch Frans toilet op de gang zien (gat in de grond, een paar oude kranten op de vloer) en zei, grappend: ”En dan is het lekker als je na 234 kilometer harde koers in deze luxe terechtkomt. Hoe halen die kleuten-Fransen het in hun hoofd ons op deze manier te ontvangen. Ik ben goed boven de 1.90 meter, maar mijn ledikantje is 1.80 meter. Als ik er iets van zeg, draaien ze zich om, een en al arrogantie…net alsof we blij mogen zijn hier te verblijven. Dit is mijn leven en daar wil ik zo soms wel eens uitstappen, begrijpt U?”

Ik begreep hem o zo goed.

En de tweede maal?

Dat was afgelopen zaterdag.

Op de cover van het sportkatern van De Volkskrant.

Boonen als Boonen, een foto van VTM.

Je ziet een mager mens in spijkerbroek, horloge, goed geslaagd six-pack en plakplaatjes allover.

Op zijn rechterschouder dingen die ik voor het gemak Indianentekens of Incatekens noem, op de linker schouder iets gotisch in kleur en op de linkerborst drie regels, vlak boven de tepel.

My Ride

My Fight

My Life

Mooie, kloeke letters. Zoals hij koerste, met een beetje Schwung erin.

Neen, mooi vond ik het niet, maar ik vind geen enkel plakplaatje, van wie dan ook, werkelijk mooi. Sterker nog: ik vind het een vreemde vorm van verminking, maar een ieder maakt voor zichzelf uit hoe zij of hij verminkt wil worden.

Ik werd alleen gegrepen door de tekst.

En die begreep ik heel goed.

Daarom keek ik gistermiddag lang naar de koers met Vlaams commentaar.

Tom Boonen werd dertiende.

In alle stilte nam ik heel diep mijn hoed voor hem af.

Een Belgische collega draaide er dit fraaie punt aan: ”Je kunt altijd nog zeggen dat het zeer eervol is voor Greg van Avermaat dat hij de slotkoers van Tom Boonen heeft gewonnen.”

Roomscher kon het niet, maar is het ook niet zo dat Belgische renners nooit doping gebruikt hebben en Tom Boonen al helemaal niet. En dat daar ook gewoon nooit over gesproken wordt.

Hoe durfden wij, van boven de Moerdijk, die perfide gedachte in ons op te laten komen?

Watttt? Tom en doping? Neen, natuurlijk niet. Nooit, nergens.

My Ride, My Fight, My Life.

Dat het je verschrikkelijk goed gaat, Tom en veel plezier met alles dat je gaat doen.