Binnenland

Afgelopen vrijdag was ik in België, in Brussel. Of moet ik Bruxelles zeggen? Als ik rechtdoor ging in de gang bleef ik in mijn eigen taalgebied van het grote gebouw waar de Belgische radio & televisie, in twee talen, uitzendingen verzorgt. Als ik rechtsaf ging kwam ik bij de RTBF, oftewel de Waalse Belgen. Daar sprak men Frans.

Wellicht is dit een gekke entree voor een verhaaltje dat over dat merkwaardige Belgenland gaat waar men óf Vlaming, óf Waal is, maar men kan (let wel) ook nog Duitstalige Belg zijn en, attentie, ook die mensen hebben in België een eigen radio & televisieafdeling, ergens tussen Eupen en Verviers.

Terzake nu. Gisteren reden we de Ronde van Vlaanderen, oftewel Vlaanderens mooiste. Een Franssprekende Belg maakt zich hoegenaamd niet druk om al dat gedoe van die Vlamingen, Vlaanderen voor hen is als Milaan-San Remo, of Paris-Roubaix: een bekende koers in het buitenland.

Om het kort te stellen: wielrennen voor “les Wallons” is er pas bij de Waalse Pijl en vooral de koers die ze daar, rond Luik, “La Doyenne” noemen; Liège-Bastogne-Liege of Luik-Bastenaken-Luik.

Ik vroeg Vlaamse collega’s hoe De Ronde van Vlaanderen dan door de vakbroeders van de Walen zou worden begeleid en het antwoord was: “Met voldoende reserve, het is wel een koers in België, maar ook weer niet in hún België en zo is het over drie weken dan weer omgekeerd.”

En wat gebeurt? Philippe Gilbert, een geboren Waal wint de Ronde van Vlaanderen. In de trui van Belgisch kampioen, dat ook nog. De symboliek droop eraf.

Nou heeft die Gilbert ooit, vroeg in zijn loopbaan, besloten dat hij zich in de eerste plaats Belg voelt en dat die merkwaardige taalgrens en alle consequenties daarin zijn bestaan niet echt raken. Al als jonge vent deed Gilbert zijn best om begrijpelijk Vlaams te leren spreken. Dat begon met korte zinnen en evolueerde in een staand, volwassen gesprek in een taal die niet de zijne was.

Hij had en heeft een opmerkelijke, bijna fris open blik als hij met verslaggevers te maken heeft. Hij kijkt wie hij tegenover zich aantreft en bedient dan die mensen in de gewenste taal. Tegen mij is hij altijd aardig en correct geweest.

Dat is weleens anders geweest. Een veelheid aan Vlaamstalige renners weigerde vele jaren ook maar een woord Frans te spreken en omgekeerd gebeurde dat helemaal en er moest een keurig tweetalig opgevoede Eddy Merckx aan te pas komen om duidelijk te maken dat Belgie één land met meerdere talen was. Merckx (die in het Frans dacht en dan razendsnel vertaalde) had een knecht in zijn ploeg en die heette Jos Bruyere, een in Maastricht geboren Waal. De brave Jos deed ook zo geweldig zijn best om zich in het Nederlands te uiten, maar vaak bleef hij steken en dan lachte hij vol schaamte en spijt en excuseerde zich; hij kon gewoon niet beter.

Claude Criquielion was de volgende topwielrenner die me in gedachten schiet. Hij dacht altijd in het Frans en had een stuk of dertig Nederlandse woorden in zijn woordenschat meegenomen die hij soms gebruikte. Claudy (geboren in Deux Acres, of Twee Akker) deed ook hoorbaar zijn best en alleen dat aspect was al reden om het gestuntel in onze taal te accepteren.

En ooit vertelde het enfant terrible (een vertaling voor dat woord is niet nodig, besef ik) van het Belgische wielrennen, Frank Vandenbroucke, dat hij anderhalftalig was opgevoed en dat hij geen enkele moeite had met Nederlands te spreken…Hij lachte daarbij en zei toen: ”Maar dat doe ik wel met U van de NOS en niet met mannen van de BRT.”

Dat laatste maakte een hoop meer duidelijk.

Terug naar Gilbert, de man die gisteren op werkelijk indrukwekkende manier zijn Ronde binnen sleepte. Heel veel duidelijker zag ik zelden een solo, opgezet op bijna 56 kilometer voor de finish, zo sterk standhouden. Dat hij, in alle, bijna kinderlijke euforie, vlak voor de finish, van zijn fiets stapte en het ijzeren ros boven het hoofd tilde, was pour rire, n’est-ce pas?

Maar toen kwam het. Het verhaaltje van de winnaar, daar waar we tegenwoordig mee plat gegooid worden. Het zijn veel te vaak min of meer strak geleide ceremonies in een tentje achter de finish, waarbij de mobiele verslaggever van de thuisomroep de microfoon mag vasthouden en het gesprek op enigerlei wijze mag proberen te leiden. Ergens tegen het einde van het gesprekje wordt er, zonder aankondiging in een soort brabbel-Engels overgegaan; dan is het gesprek voor de internationale markt ook te begrijpen…

Tot mijn grote verbazing werd Gilbert gisteren aan de streep door de VRT ondervraagd en niet door iemand van de Waalse tv. Op tamelijk onderdanige, bijna heilige manier, dat ook nog. In het Vlaams en dus heel even in het Engels.

Het ging meteen mis. De vragensteller gunde Gilbert de vrije teugel en met zoveel vrijheid kon de beste man nauwelijks uit de voeten; hij had veel liever gerichte vragen aangehoord, zo leek me toe. Dus zocht Gilbert meteen zijn comfortzone op en ging hij herhalen wat er in de laatste vijftig kilometer gebeurd was, iets dat we allen gezien hadden en dus overbodig was. Het is trouwens een veel terugkomend element in de lange reeks van nabetrachtingen in de sport.

Juist dit aspect maakt van die wieler-verhaaltjes-na-de-koers vaak zulke gedrochten en hier gebeurde dit helaas weer. Het werd een ratatouille verhaal waar bijna geen smaak aan zat, hoe goed Philippe het ook probeerde, hoe hij ook goochelde met de Nederlandse taal.

De brave Gilbert deed zo zijn best, dat zag je hem af, maar hij kwam maar niet in zijn ritme van begrijpelijke woorden en dat was zo jammer, want hij kan het natuurlijk wel.

En hoe die twee talenstrijd in België bij het wielrennen vroeger uitgespeeld werd?

Als Eddy Merckx een Touretappe had gewonnen, dan stond een heel leger aan verslaggevers klaar. Het was een ongeschreven wet dat de Waalse radiocommentator Luc Varenne opende. Dan kwam de BRT-televisieman van dienst, vaak Marc Stassijns. Dan kwam Theo Mathy namens de Franssprekende televisiekijkers in België en als vierde kwam Jan Wouters van de Vlaamse radio. Daarna kwamen wat Franse en –Frans-Zwitserse zenders, of nog een een Italiaan  en dan mochten wij van de NOS.

Eddy keek me dan lachend aan en zei dan: ”Allez, ook nog den Ollander, hoe gaat het met U mijnheer Smeets?”

Dat waren nog eens confrontaties.

En wat had ik gisteren graag tegenover Philippe Gilbert gezeten. Niet om de koers nog eens verbrokkeld herhaald te horen worden, maar om gewoon, normaal met hem te praten.

4 reacties
Wil je ook reageren ga dan naar Facebook