Binnenland
Terugluisteren

Ik bevind me dezer dagen in honkbalsferen. Ja, met een volledige dagtaak, want de Europese Kampioenschappen betekenen mijn doorstart als commentator. Bij Ziggo wel te verstaan, want het loket NOS is achter me gesloten.

Sans rancune, zeg ik er maar bij en ik meen dat.

In 1968 begon ik bij de NOS met het commentaar geven bij honkbalwedstrijden en, of er helemaal niets veranderd is, geef ik dat commentaar nog steeds: nu bij de betaalzender Ziggo, een organisatie die, min of meer op goed geluk, de rechten op uitzending van dit honkbaltoernooi had gekocht.
Weer een cirkel rond?
Het lijkt erop.
Ik moet nu alleen wel gaan opletten niet al te veel en heel snel rond te maken, want een mens moet zich nog wel iets te wensen overhouden, nietwaar?
En voor mij is dat?

Goede onderwerpen te maken over welke sport dan ook, een (helaas) bijna verloren gegaan vak waar in Nederland bijna geen plaats, geen geld en geen geestelijke ruimte voor gegeven wordt. Televisie is immers een wegwerpproduct waar niet al te veel tijd, geld en geestelijke inhoud aan gegeven dient te worden. Het moet snel, leuk en plat. Dat laatste vooral.

Bazen gaan voor "goedkoop is beter". Snel lijkt op goed, maar is dat niet.
Bazen weten niet beter en hebben het vreselijk mis, maar dat terzijde.

Terug naar het honkbal… een in Nederland bijna onbekend gebleven zomersport met moeilijke spelregels en vage termen als vier wijd en doorgeschoten bal.
Vraag een passant in de Kalverstraat met hoeveel man je deze sport speelt en heftig schouderophalen is je deel.

Laat staan dat mensen weten hoe de spelregels luiden, wie er goed speelt en wie niet en hoe al die merkwaardige tekens van die oubollig aangeklede coaches toch kunnen bestaan.
Baseball, of honkbal is voor vele landgenoten een bijna onontwarbare knoop aan regels en gewoonten die wij “Amerikaans” noemen en die we misschien daarom ook wel niet snel tot de onzen zullen maken.

Ik las gisteren ergens dat in de communistische landen na de Tweede Wereldoorlog baseball werd verboden omdat het een verderfelijke imperialistische sport en “Amerikaans” was.
Vreemd en zulks geeft me dan ook direct stof tot nadenken. Wie geven die definities en waarom?

Hoe bijvoorbeeld leerden de Russen honkbal kennen in de jaren zestig? 
Omdat Cubaanse studenten en fanatieke bloedbroeders uit het zwaar communistische Cuba in Moskou hun eigen sport “beisebol” gingen spelen.
Dat mocht, want dat was geen baseball van die verdomde Yanken.

En wie hadden baseball op Cuba gebracht?
Ga daar eens rustig over nadenken…

Gisteren was het in Hoofddorp, waar het EK gespeeld wordt, een komen en gaan van ouders met honkballende kinderen. Het was “meet and greet” voor geselecteerde kinderen van honkbalclubs uit het hele land en onder aanvoering van rijen nerveuze ouders trok een heel leger aan juniortjes langs de spelers van het Nederlands team.

In de voorbereiding voor de wedstrijd tegen Rusland had bondscoach Steve Janssen toegezegd zijn spelers voor een goede 20 minuten langs de onafzienbare rijen kleine, opgewonden honkballertjes te sturen voor het geven van handtekeningen en om gewoon leuk met die kids om te gaan.

Het werd een ontspannen, zeer geslaagd moment waarin profspelers uit Amerika, Canada, Curaçao en Europa zich geheel dienstbaar opstelden tegenover de opgewonden kinderen die geen idee hadden wie ze voor zich kregen, maar die verwachtingsvol een honkbal en een pen in de richting van welke speler ook maar duwden.

Zal ik het strak stellen: die 20 minuten gaven me weer hoop voor een betere toekomst. Die profs en die kids, dat gedoe met niet schrijvende pennen, met half opgewonden moeders en zenuwachtige vaders die hun fototoestel net niet scherp konden krijgen, het geduld van de vedetten en die prachtige, vragende blikken van de jonge kinderen die, gestuurd door hun ouders, zelfs aan de oude ex-presentator van Studio Sport een handtekening gingen vragen.
“Voor wie moet ik die handtekening geven?” vroeg ik aan een snaps meisje.
Ze wachtte even en zei: ”Voor mijn moeder, ze kent u nog van vroeger… zegt ze.”
Thanks.

Zo stonden 24 internationals handtekeningen te geven aan legers kinderen die nauwelijks wisten waarom dit allemaal gebeurde. Ze hielden een honkbal en een pen omhoog en keken de betrokken speler verwachtingsvol aan. “Alsjeblieft mijnheer, een handtekening.”

Ik sprak international Dwayne Kemps aan en vroeg of hij vroeger ook zo gestaan had als klein mannetje.
Wis en waarachtig, zei hij en verdomd als het niet waar was, hij had dat papiertje met die handtekening nog altijd in zijn bezit. Hij had het nooit weggegooid.
Hij tekende door en door en was zo bevrijdend leuk tegenover al die kids die bij hem stonden, dat het werkelijk ontroerde. En zo deden die grote mannen dat allemaal.

De kleine honkballertjes, velen gekleed in hun clubtenue, keken vragend op, wisten het allemaal ook niet meer maar hadden een fijne dag en kregen nog een flesje en later een ijsje en vielen laat in de middag, op weg naar huis, in een heerlijk gelukkige slaap.

Er zijn momenten dat ik zo verschrikkelijk steen jaloers kan zijn op het zorgeloze leven van een kind. Een kind dat tegenover een sporter staat die zij of hij niet van naam kent, maar die van hem weet dat hij “goed” is. En omdat de ouders hebben gezegd dat zij of hij netjes om een handtekening moest vragen, doen ze dat ook. Met een vleugje angst en veel hoop.

De blikken van die kids, gisteren in Hoofddorp, waren meer dan onbetaalbaar en o zo lief en vaak zacht. Ze deden me wensen terug te kunnen keren naar een leven waar hoop en toekomst nog voor me lagen.

Ik had, kortom, een heerlijke dag.
Ja, er is nog hoop, maar we moeten zelf dat hoopvolle leven zien te creëren.
Anderen doen het niet voor ons.

Neurie eens met me mee…
“De glimlach van een kind doet je beseffen dat je leeft, de glimlach van een kind dat nog een leven voor zich heeft…”

Geloof daarin, met alles dat in je zit en lachen wordt weer een werkwoord dat je kunt vervoegen.